23-02-07

Landing op Antarctica

Dit is een stukje uit mijn eBoek 'Verslaafd aan de Horizon'
 
29 januari 1994, 13 u 00.
We hebben onze bagage reeds min of meer gepakt en lopen rond met onze walkietalkies in de hand. Ietwat misnoegd, want de mist klaart niet op. Vanop de brug van onze boot, de Kapitan Khlebnikov, zien we grote ijsschotsen langs ons voorbij drijven. Sommige zijn tientallen meters hoog en kilometers lang. Ze hebben hun eigen micro-weersysteem boven zich hangen. Willy en ik klimmen in de mast en halen onze antennes naar beneden. Het is bitter koud. Willy geeft me een tik op de schouder en wijst naar de horizon. Een grote ijsschots tekent zich af. Wacht eens, het heeft donkere vlekken op de zijkant, dat is geen ijsschots, die vlekken zijn stukken rots. Dit is Peter I! Ons eiland! Peter I!

We klauteren naar beneden en roepen de anderen op via de walkietalkie. Vanop de brug zien we het eiland naderen. Het lijkt zozeer op de enige foto die we van het eiland hebben: een 1700 m hoge berg, met flanken die bijna verticaal in de zee duiken. Langs de noordkant zien we hoe de gletsjer met een zachte helling van een vijftal kilometer lang, naar de zee loopt. Op het puntje van die gletsjer willen we landen en ons kamp opslaan... Maar veel van het eiland krijgen we niet te zien. De mistbanken hopen zich op rond de kust. De gletsjer zit bijna de ganse tijd in de mist...

De Khlebnikov stuurt langzaam naar de westkant van het eiland. Voor we er erg in hebben zitten we midden in het pakijs. De satellietfoto's die Tony gisteren nog ontvangen had, toonden inderdaad dat de rand van de ijszee tot bij het eiland kwam. Langzaam kraakt de boot zich een weg. De ijsschotsen wijken voor de boeg... Het ijs is goed nieuws: het isoleert het relatief warme water van de koude lucht. Op die manier krijg je veel minder mistvorming. De motoren worden stilgelegd. We drijven aan de westkant van het eiland, en, wonder bij wonder, de mist trekt op en de blauwe hemel opent zich. De weerspiegeling van het zonlicht op de ijszee, met Peter I, bijna volledig uit de wolken... Het lijkt een droom. De muziek van de film 'The mission' klinkt in crescendo in mijn hoofd. We krijgen allemaal tranen in de ogen, zo mooi is het panorama.
"We hebben het voor elkaar gekregen, het is ons gelukt!", roep ik naar Ralph
"Na zo veel maanden, eindelijk", juicht Tony.
"Mijn koninkrijk voor een helikopter", schatert Wilber.
"Herinner je die fax, Ralph, waarin je aankondigde dat de Russen het vervoer afzegden?"
"Ik herinner me je antwoord nog beter, Peter: 'Dit zal de geschiedenis in gaan als de tijd dat we het helemaal niet meer zagen zitten!' "
"Hahaha, en toch hebben we het klaargespeeld!"
"Komaan, iedereen weet wat te doen, aan het werk!", beveelt Ralph.
Iedereen gaat zijn poolkledij aantrekken en sleurt zijn bagage naar het helikopterdek. Ralph brengt het goeie nieuws: 'We gaan landen!'.

Met luid geraas start de eerste helikopter. Terry en Bob stappen in. De toeristen staan achter geïmproviseerde dranghekkens luid te applaudisseren en ons aan te moedigen, als waren we renners in een wielerwedstrijd. Ik weet dat velen denken dat we gek zijn, en dat zijn we ook. De helikopter laat zijn motoren op volle toeren draaien, en zijn schroeven happen in de lucht. Langzaam stijgt hij op en blijft een tijdje hangen op een paar meter boven het dek, alsof hij zijn passagiers nog een laatste blik op de boot gunt. Plotseling zwenkt hij naar links en verdwijnt in de richting van het eiland. Pas als we de helikopter in het niks zien verdwijnen, realiseren we ons hoe ver het schip van de kust ligt, en hoe gigantisch hoog de centrale berg wel is... Terwijl de tweede helikopter zijn motoren opwarmt, wachten we ongeduldig op een bericht van Terry of Bob.

Na een kwartier klinkt het krakend uit de walkietalkie.
"Khlebnikov, Peter I roept, over"
"Ja Terry, dit is Ralph, welk goed nieuws?"
"We zijn veilig geland op het puntje van de gletsjer, zo'n 500 meter van de rand. Er is geen enkel teken van gletsjerspleten, en we hebben een landingsplaats aangeduid met vlaggen."
"OK, laat de helikopter terugkomen, we beginnen de landing!"
"Roger, roger, Peter I in stand-by".

Drie uur later is alle cargo naar het eiland overgevlogen en staan de piloten klaar om de laatste vlucht uit te voeren. Tony, Wilber, Ralph en ik nemen afscheid van de officieren, zwaaien nog eens naar de passagiers en stappen in de helikopter. Zonder dralen stijgt hij langzaam op. 'The mission' speelt weer in mijn hoofd. Als in een droom zien we de Khlebnikov onder ons voorbijschuiven. De piloot maakt een bocht voor het schip uit en gaat op een hoogte van vijftig meter wachten tot de tweede helikopter het laatste cargonet ophaalt. Met zijn tweeën naast mekaar, vliegen ze naar het eiland. De Khlebnikov verdwijnt in het niets. Opgeslorpt door de oneindige ijszee. Vóór ons wordt het eiland alsmaar groter. We vliegen over de gletsjerrand en cirkelen boven het kamp. We landen tussen de her en der verspreide kratten. Luis komt de helikopterdeur openen en geeft ons de hand.
"Welkom", roept hij boven het geraas van de klappende wieken uit.
"Daar komt de laatste helikopter, jongens", roept Bob en hij gaat bovenop een krat staan om aan te duiden waar de cargo moet gedropt worden. Licht wiegend komt de helikopter aangevlogen, het cargonet een paar meter onder hem. Zachtjes dropt hij de krat en landt. We danken de piloot voor zijn hulp en geven hem een fooi. Hij stijgt op, geeft een lichtsein ter afscheid, vliegt over ons uit en verdwijnt naar de Khlebnikov.

En plotseling, plotseling, .... het klapwieken van de helikopter verdwijnt in de verte en dan... is er geen lawaai meer. De oneindige stilte. De wind waait zachtjes, we horen het stil krassend geluid van de ijszee, het 'zwompkrr, zwompkrr' geluid van onze laarzen in de sneeuw, de gedempte stemmen. We vliegen mekaar om de hals.
"We did it! We hebben het voor mekaar! In nauwelijks vier uur hebben we 18 ton, en 150 stukken bagage geland, zonder moeilijkheden! We hebben het voor mekaar!"
Ralph opent een fles champagne, en gretig drinkt ieder een slok. Ik steek een sigaret op. Mijn eerste sigaret. Op mijn eiland... Ik graai in de sneeuw. Om deze sneeuw te voelen, moest ik zes maanden dag en nacht werken, mijn job opgeven, bijna 700.000 fr. betalen. Maar alles was de moeite waard! Elke cent, elke seconde. Ik kijk met de tranen in de ogen naar de anderen. Woorden schieten me tekort. Ralph komt naar me toe, en schudt me de hand:
"We hebben het voor mekaar, Peter."
"Ja, zelfs het panorama is al die moeite waard, kijk eens!"

Het is tien uur 's avonds. De zon zweeft boven de horizon en weerspiegelt op de ijszee. We hebben een panorama van bijna 200 graden. De zee, de Khlebnikov in de verte, de ijsschotsen, de hoge berg achter ons. Er zijn geen woorden voor.
"Aan het werk, jongens", roepen we mekaar toe.

De slaaptent moet zo vlug mogelijk opgesteld worden. Alhoewel de zon nooit helemaal zal ondergaan, moeten we zo snel mogelijk beschutting hebben. Het weer kan in een paar minuten omslaan, zo hebben ze ons verteld. We effenen de grond en leggen een geraamte van dikke balken uit. Die nagelen we aan mekaar vast en leggen er isolatiemateriaal tussen. Daarboven komt een groot plastiek vel en een planken vloer. Op de rand vijzen we een aluminium rail waarop de hoepels, het geraamte van de tenten, worden vastgemaakt. We spannen de twee zijflappen op en spreiden de dubbel geïsoleerde tentzeilen over de hoepels. Het is allemaal vlugger gezegd als gedaan. De slaaptent meet zo'n vier bij acht meter en we werken met zijn allen tezamen om in vier uur die ene tent in mekaar te steken. Het is twee uur in de morgen en onder een middernachtzon in een lichtblauwe hemel, zien we, met een wee gevoel in onze maag, de boot vertrekken. Vanaf nu zijn we alleen op het meest geïsoleerde eiland van Moeder Aarde, alleen met zijn negenen, op een goeie tweeduizend kilometer van de bewoonde wereld. Als er nu iets verkeerd gaat, is redding niet meer mogelijk... Maar niemand laat zich ontmoedigen. We steken de primitieve veldbedden in mekaar en spreiden er dikke mousse matten op. Alle bedden staan netjes op een rij, met een paar zakken persoonlijke bagage ertussen in. Mijn bed staat vlak bij de ingang van de tent. We rollen onze poolslaapzakken uit en kijken mekaar aan. Het is midden in de nacht, wat gaan we nu doen?
"Slapen", beveelt Ralph met een zucht.
"Slapen...", echo-t Bob.